Het begon met één plant.
Eentje maar.
Hij stond niet helemaal goed. Te veel naar voren, vond ik. Of misschien was hij gewoon wat groter geworden dan ik had bedacht toen ik hem daar ooit neerzette. Hoe dan ook: hij moest een stukje naar achteren.
Dat klinkt eenvoudig.
Maar op de plek waar hij naartoe moest, stond natuurlijk al iets anders. Een plant die het daar overigens prima naar zijn zin had, maar die eigenlijk óók niet helemaal op de goede plek stond. Die zou veel mooier uitkomen aan de andere kant van de border.
Daar stond alleen weer iets anders.
En zo begon de grote stoelendans.
Een uurtje later stonden er overal planten naast hun uitgegraven gaten. Sommige met een keurige kluit, andere wat minder gelukkig met een paar wortels bungelend in de buitenlucht. Ik liep heen en weer, zette potten neer om plekken te markeren en probeerde te onthouden wat mijn oorspronkelijke plan ook alweer was.
Dat plan was inmiddels volledig zoek.
Het bijzondere is dat dit verschijnsel zich vooral in het najaar voordoet. In de zomer zie je heus wel dat iets niet helemaal goed staat, maar dan denk je: dat komt later wel. Bovendien staat alles volop in blad en bloei en durf je niet zo goed.
Maar dan wordt het oktober.
Opeens zie je mogelijkheden.
Die pol kan best gedeeld worden. Die vaste plant moet wat meer zon. Daar zit een gat. En waarom heb ik die eigenlijk ooit dáár gezet?
Voor je het weet sta je met een schop in je handen en is er geen weg meer terug.
Het voordeel van oktober is dat het een prima tijd is om veel vaste planten te verplaatsen. De grond is nog warm en meestal vochtig genoeg om ze weer goed te laten wortelen. Het nadeel is dat je ineens denkt dat dus álles verplaatst kan worden.
Uiteindelijk kwam er weer rust in de border. Alles kreeg een nieuwe plek, de gaten waren dicht en vanaf een afstandje zag het er eigenlijk best goed uit.
Beter zelfs.
Volgens mij.
Nu hoef ik er voorlopig niets meer aan te doen.
Al staat die ene plant linksachter misschien toch nét iets te ver naar links.
Maar die doe ik volgend jaar wel.